Franchise-kenniscentrum/ Nationale Franchise- en Formulebrief-publicaties

Ludwig en van Dam Advocaten publiceert om de week een juridische bijdrage aan de Nationale Franchise- en Formulebrief, die door First Formula electronisch wordt verspreid. Hieronder treft u de tot dusver verschenen bijdragen aan.


Webshops door de franchisegever: graag of niet? - 05.07.2011

Mr J.H. Kolenbrander

Tegenwoordig realiseren steeds meer franchisegevers zich dat er, naast het distributiekanaal dat de franchisenemers vormen, ook een ander distributiekanaal beschikbaar is, te weten de consument die via internet inkopen doet. Een franchisegever zal, door een nationale webshop te exploiteren, deze doelgroep kunnen aanboren en hierdoor aanvullende omzet kunnen genereren. Daarbij gelden echter wel bepaalde spelregels, omdat de franchisegever zich bij het gebruik van een landelijke webshop ook de gerechtvaardigde belangen van haar franchisenemers in acht dient te nemen.

Internet is een uitermate belangrijk medium geworden om klanten te bereiken. Enige jaren geleden was er nog huiver bij de Nederlandse consument om via internet aankopen te doen, met name door de – al dan niet terechte – vrees voor fraude. Die schroom lijkt echter te zijn verdwenen en een groot gedeelte van bestellingen ter zake, in ieder geval, boeken en muziek vindt thans plaats via, al dan niet buitenlandse, internetsites. Sommige aanbieders van goederen en/of diensten handelen tegenwoordig enkel via internet.

De redenen voor handel via internet aan de zijde van de consument zijn divers en variëren van simpelweg gemak (‘niet de deur uit hoeven’) tot een lagere koopprijs hoeven te betalen in vergelijking met een ‘normale’ winkel. Ook zijn er diverse voordelen te benoemen aan de zijde van de ondernemer, zoals een ‘strakker’ te voeren voorraadsysteem, (inter)nationaal bereik van klanten via internet en – bij een ondernemer die enkel via internet handelt – de mogelijkheid om in principe vanuit de eigen woonkamer te handelen, zodat de huur van een bedrijfspand, op een al dan niet dure locatie, kan worden voorkomen.

Ook een franchiseformule kan haar voordeel doen met het medium internet en er zijn diverse specifieke voordelen te benoemen van een door de franchisegever onderhouden webshop. Zo zal de naamsbekendheid van de gehele formule onder consumenten vergroot kunnen worden door een deugdelijk opgestelde nationale webshop. Ook zijn er individuen die stellen dat er een grote groep consumenten zou zijn die de aan te schaffen producten enkel bekijkt en vergelijkt via internet, maar uiteindelijk toch naar een fysieke winkel zal gaan om de daadwerkelijke aankoop te doen. De franchisenemers zouden hier uiteraard van kunnen profiteren omdat zij de fysieke winkels exploiteren. De franchisegever kan ook profijt hebben – hetzij direct, hetzij indirect – van de extra omzet die door internetverkopen worden gegenereerd.

Ondanks het voorgaande dient er door de franchisegever zorg betracht te worden bij het gaan exploiteren van een nationale website. Zo zou er sprake kunnen zijn van een inbreuk op de exclusieve rayons van de franchisenemers hetgeen uiteraard niet de bedoeling is. Indien de franchisegever de formulegerelateerde goederen en/of diensten op haar website voorts voor een lager bedrag aanbiedt aan de consument dan de franchisenemers kunnen bewerkstelligen, dan zou er ook sprake kunnen zijn van onrechtmatige concurrentie door de franchisegever van haar franchisenemers. Dit is uiteraard niet de bedoeling en in strijd met de zorgplicht die een franchisegever heeft; in een franchiserelatie dienen beide partijen elkaar te versterken, teneinde te komen tot een situatie waarbij alle betrokken profijt hebben van de franchiseovereenkomst. Het zou dan ook niet redelijk zijn als een franchisegever op een bepaalde wijze een nationale webshop onderhoudt die de franchisenemers geen profijt brengt, doch enkel schade berokkent. Dit te meer nu een franchisenemer in beginsel bedrijfseconomisch volledig afhankelijk is van de franchisegever en dus niet, of weinig, kan afwijken van de formule.

Er zijn echter diverse methoden denkbaar waarbij beide partijen profijt kunnen trekken van een nationale webshop. Denk, bijvoorbeeld, aan een systeem waarbij de franchisegever via haar webshop de bestellingen van de consumenten ontvangt, doch daarna ‘wegzet’ bij haar franchisenemers. Of een systeem waarbij de franchisenemer een (gedeeltelijke) vergoeding verkrijgt voor het gegeven dat er in een bepaald rayon. Er zou dan, bijvoorbeeld, op basis van postcode van diegene die de bestelling doet, dan wel waar de goederen en/of diensten feitelijk worden geleverd, geïnventariseerd kunnen worden welke franchisenemer voor deze vergoeding in aanmerking komt. Ook zou er, bijvoorbeeld op basis van postcode, kunnen worden doorverwezen naar de eigen webshop van een bepaalde franchisenemer. Dergelijke opties zijn nuttig omdat zij voorkomen dat enkel de franchisegever profijt heeft van de webshop. Ook kan het voorkomen dat franchisenemers schade lijden en, al dan niet met succes, gerechtelijke maatregelen treffen om de schade die zij lijden te verhalen op de franchisegever. Bij gebreke van enige reciprociteit zou betoogd kunnen worden dat het voor een franchisegever in bepaalde gevallen niet toegestaan is om een nationale webshop te exploiteren.

Ten overvloede zij opgemerkt dat het de franchisenemer in beginsel niet verboden mag worden om een website en webshop te onderhouden. Wanneer een franchisenemer een webshop gebruikt om producten te verkopen, dan wordt dit beschouwd als een vorm van zogenaamde passieve verkoop, omdat het een redelijke manier is om klanten in staat te stellen de franchisenemer te bereiken. Er kunnen door de franchisegever (kwaliteits)eisen gesteld worden aan een dergelijke website/webshop, doch die eisen mogen niet zo ver gaan dat de franchisenemer wordt belemmerd in zijn recht internet als medium te gebruiken.

Soms ventileren franchisegevers hun ongenoegen over het feit dat een franchisenemer ‘zomaar’ een webshop mag onderhouden, maar dat de franchisegever (veel) zorgvuldiger te werk dient te gaan en dat dus niet ‘zomaar’ mag. Hoewel dit in beginsel onjuist is, de franchisenemer dient immers ook zorgvuldig te handelen in deze, miskent het eveneens de rol van beide partijen in een franchiserelatie. In het klassieke systeem is de franchisenemer immers de zelfstandig ondernemer die via de exploitatie van de formule inkomsten verkrijgt. De franchisegever dient hem daarbij te ondersteunen, zonder overigens zelf als zelfstandig ondernemer te acteren, hetgeen ook voortvloeit uit de zorgplicht van de franchisegever.

Kortom, een nationale webshop is mogelijk een prima middel dat voor alle partijen, de franchisegever en de franchisenemers gelijk, een welkome aanvulling kan zijn op de ‘normale’ bedrijfsvoering. Wel dient de nodige zorgvuldigheid betracht te worden bij de wijze waarop een dergelijke webshop wordt geëxploiteerd. Een franchisenemer heeft het over het algemeen al druk genoeg met zijn ‘normale’ concurrenten. Een franchisegever moet dan ook geen extra concurrent van hem worden, al dan niet ongewild.

Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies