Gerechtelijke uitspraken & Actualiteiten


Voorschot op schadevergoeding na ondeugdelijke prognose - 15 april 2014 - Mr. A.W. Dolphijn

Mr. A.W. Dolphijn

Franchisenemer, Franchisegever, Prognose, Prognoses

Rechtbank Noord-Nederland, 9 april 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:1936

In een fraai gemotiveerd kort gedingvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 9 april 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:1936 was aan de orde de vraag of een voorschot betaald diende te worden op de schadestaatprocedure.

De rechtbank Noord-Nederland had reeds bij vonnis van 15 januari 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:173 de franchiseovereenkomst tussen partijen vernietigd wegens dwaling omdat de franchisegever een onrealistische prognose van de resultaten verstrekt had waarvan zij wist, althans behoorde te weten dat deze ernstige fouten bevatte. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat dit handelen van de franchisegever onrechtmatig was en dat de franchisegever schadeplichtig is jegens de franchisenemer. Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

De franchisenemer stelt door de onrechtmatige daad van de franchisegever aanzienlijke schade geleden te hebben en verlangt in kort geding – vooruitlopend op de schadestaatprocedure – een voorschot op de schadevergoeding. De franchisenemer zou in ernstige financiële problemen verkeren en derhalve een voldoende spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening. Zo zou het banksaldo negatief zijn, de hypotheeklasten van de eigen woning onbetaald gelaten zijn, het spaargeld opgesoupeerd zijn en een schuld ontstaan zijn bij de stamrecht B.V. van 

€ 40.000,-. Bij dit laatste speelt dat indien deze schuld niet alsnog ingelost wordt, er inkomstenbelasting geheven zal worden over dit bedrag.

Vooralsnog begroot de franchisenemer de schade op de aanschafkosten van de inventaris van de winkel, de gemaakte verliezen, huurkosten en de geprognotiseerde bedragen (loon, althans uitkering), in totaal meer dan € 300.000,-. De franchisenemer beperkt zich in het kader van het kort geding tot een vordering een voorschot van € 80.000,-.

De franchisegever verweert zich onder meer met argumenten die de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg van de bodemprocedure aanvecht. Verder wordt gewezen op het aanzienlijke risico dat, als een voorschot betaald zou moeten worden en nadien in hoger beroep het vonnis van 15 januari 2014 geen stand houdt, het uitbetaalde voorschot door de franchisegever uitermate lastig te restitueren is. Een van de andere argumenten is dat de franchisenemer wel prestaties geleverd gekregen heeft van de franchisenemer, en daarvoor dus ook een vergoeding verschuldigd is. Te denken valt aan geleverde producten, diensten en gebruik van intellectuele rechten van de franchisegever.

De voorzieningenrechter loopt, onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad, de standpunten van partijen af. Vertrekpunt is dat vorderingen tot betaling van geldsommen in kort geding terughoudend dienen te worden beoordeeld, maar niet onmogelijk zijn. Het vereiste spoedeisende belang is aanwezig nu de franchisenemer kennelijk in financiële nood verkeerd en ook niet gedraald heeft bij het instellen van het kort geding. Weliswaar is er sprake van een aanzienlijk restitutierisico, maar de vordering van de franchisenemer is volgens de voorzieningenrechter alleen toewijsbaar indien en voor zover met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden geoordeeld dat de gevorderde betaling van een voorschot in een bodemprocedure zal worden omgezet in een daadwerkelijke toewijzing van dat bedrag. Aan de aannemelijkheid van de vordering dienen daarom in dit kort geding hoge eisen te worden gesteld. Voorts komt aan de orde de complexiteit van de zaak en de aannemelijkheid van de vordering van de franchisenemer. De voorzieningenrechter oordeelt dat de franchisenemer ontvankelijk is in zijn vordering.

De inhoudelijke verweren tegen het vonnis van 15 januari 2014 legt de voorzieningenrechter naast zich neer. Er is geen sprake van een kennelijke misslag in het vonnis van 15 januari 2014, zodat de voorzieningenrechter de inhoudelijke beoordeling aan de bodemrechters overlaat.

Nu de franchisenemer ontvankelijk is in het kort geding en in de bodemprocedure bij vonnis van 15 januari 2014 vastgesteld is dat de franchisegever aansprakelijk is voor schade, komt de vraag op hoe hoog de schade is en voorts of er een voorschot toegekend kan worden. De voorzieningenrechter stelt naar voorlopig oordeel dat de investeringen op iets meer dan € 80.000,- gesteld dienen te worden en deze met de vernietiging van de franchiseovereenkomst onverschuldigd verricht zijn. De franchisegever heeft onvoldoende onderbouwd welke bedragen er van de franchisenemer te vorderen zijn ten aanzien van bijvoorbeeld geleverde producten en diensten. Dat verweer wordt derhalve verworpen. Wel acht de voorzieningenrechter het argument steekhoudend dat er een restitutierisico is bij de toekenning van een voorschot op de schadevergoeding. De voorzieningenrechter beperkt het voorschot tot een bedrag van € 40.000,-.

Opvallend is dat dit bedrag mooi aansluit bij de schuld van de stamrecht B.V. van de franchisenemer. De franchisenemer kan met het toegewezen voorschot het risico op een aanslag voor de inkomstenbelasting ten aanzien van dat bedrag afwenden. Op die manier wordt bovendien het verder oplopen van de nadelige gevolgen van de ondeugdelijke prognose voor de franchisenemer beperkt.

Overigens had de franchisenemer ook in de bodemprocedure dat tot het vonnis van 15 januari 2014 leidde reeds (middels een eiswijziging) een voorschot kunnen vorderen op de schade, vooruitlopend op de definitief vast te stellen omvang van de schade in een schadestaatprocedure. Daarmee had het kort geding wellicht voorkomen kunnen worden.

Mr A.W. Dolphijn  - Franchiseadvocaat

Ludwig & Van Dam Franchise advocaten,franchise juridisch advies.

Wilt u reageren? Ga naar dolphijn@ludwigvandam.nl