Franchise-kenniscentrum/ Nationale Franchise- en Formulebrief-publicaties

Ludwig en van Dam Advocaten publiceert om de week een juridische bijdrage aan de Nationale Franchise- en Formulebrief, die door First Formula electronisch wordt verspreid. Hieronder treft u de tot dusver verschenen bijdragen aan.


Rechtspraak over franchising in het buitenland 6.04.2010

Mr J.H. Kolenbrander - Franchise advocaat

Over het algemeen wordt in deze column aandacht besteed aan het Nederlandse recht, alsmede de Nederlandse jurisprudentie, hetgeen uiteraard niet verwonderlijk is gezien de achtergrond van de gemiddelde lezer. Desalniettemin is het wellicht eens aardig om naar een vonnis van een buitenlandse, te weten een Engelse, rechter te kijken en diens oordeel te vergelijken met het oordeel van een Nederlandse rechter in een – voor zover mogelijk – soortgelijke kwestie.

Van belang is in ieder geval om op voorhand op te merken dat het Engelse rechtssysteem wezenlijk afwijkt van het Nederlandse rechtssysteem. Zo is het Engelse rechtssysteem op basis van het “Common Law” gebaseerd, hetgeen – zeer kort gezegd – inhoudt dat er zwaar door de rechters wordt ‘geleund’ op eerdere rechtspraak voor de vaststelling wat de omvang van het recht is. De rechtspraak is feitelijk dan ook de belangrijkste bron van recht in Engeland. Dit in tegenstelling tot het rechtssysteem in Nederland (“Civil Law”) waar de eerdere rechtspraak zeker een rol speelt voor de vaststelling wat recht is, doch waar de wetteksten zelve een dominante rol blijven spelen.

Hierna zullen twee vonnissen worden besproken, eerst één uit Nederland en daarna één uit Engeland, die wellicht exemplarisch zijn voor de verschillen in rechtssystemen in beide landen. Het thema van beide vonnissen is de uitleg van een contractueel beding in een overeenkomst en de wijze waarop de rechter eventuele onduidelijkheden in een dergelijk beding dient op te lossen.

Het Nederlandse vonnis

Een franchisenemer exploiteerde van 1998 tot 2008 een Formido bouwmarkt. In de franchiseovereenkomst is een contractueel beding opgenomen op grond waarvan – kort gezegd – de franchisenemer verplicht is om, indien hij tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst de bouwmarkt aan een derde zou willen verkopen, de bouwmarkt eerst te koop aan te bieden aan de franchisegever. De franchisenemer heeft op enig moment aangegeven dat hij de samenwerking met de franchisegever op 28 april 2008 wenste te beëindigen. Na de beëindiging van de franchiseovereenkomst zou de franchisenemer de bouwmarkt aan een derde willen verkopen.

Omdat de franchisenemer voornemens is om eerst de bouwmarkt te verkopen na de looptijd van de franchiseovereenkomst, is de franchisenemer van mening dat hij niet gehouden is om de bouwmarkt eerst aan te bieden aan de franchisegever volgens het contractuele beding. Dit beding geldt immers alleen als de franchisenemer tijdens de looptijd van de overeenkomst de bouwmarkt wenst te verkopen. De franchisegever is op zijn beurt van mening dat het contractuele beding ook geldt op het moment dat de daadwerkelijke vervreemding na de beëindiging van de franchiseovereenkomst plaatsvindt, doch indien het voornemen tot de verkoop eerder kenbaar is gemaakt.

De Nederlandse rechter is van mening dat het antwoord op de vraag, hoe in een schriftelijk contract de verhoudingen van partijen is geregeld, niet kan worden vastgesteld op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Om die reden acht de rechter het moment waarop het voornemen tot verkoop van de bouwmarkt tot stand komt relevanter dan het moment waarop de bouwmarkt daadwerkelijk wordt verkocht aan derden. Voor zover er dan ook onduidelijkheid zou bestaan over de reikwijdte van het contractuele beding, dan wordt deze onduidelijkheid opgelost door gebruik te maken van de redelijkheid en de billijkheid.

Het Engelse vonnis

Door de Engelse rechter wordt in onderhavige kwestie een iets andere aanpak gekozen om een contractueel beding uit te leggen. In deze kwestie diende door de rechter beoordeeld te worden in hoeverre een postcontractueel non-concurrentie beding rechtsgeldig was.

Nadat eind 2007 de franchiseovereenkomst kwam te beëindigen, is (ex)franchisenemer Mr Kerr doorgegaan met zijn werkzaamheden als autolakhersteller in hetzelfde pand als voorheen, doch niet onder de vlag van de franchise formule en zonder gebruik te maken van formule specifieke producten.

De franchisegever was van mening dat Kerr hiermee in strijd handelde met het post contractuele non-concurrentiebeding van de franchiseovereenkomst. De tekst van het betreffende beding hield – kort weergegeven – in dat een (ex)franchisenemer gedurende 12 maanden na de beëindiging van de franchiseovereenkomst geen activiteiten mocht ontplooien, die zouden concurreren met “The Business” binnen “The Territory”. In de franchiseovereenkomst werd “The Business” omschreven als de franchiseformule.

Doordat Kerr was opgehouden een franchisenemer te zijn van de betreffende formule, was er feitelijk geen sprake meer van “The Business” binnen “The Territory” om mee te concurreren. Er diende derhalve eerst een nieuwe franchisenemer van de formule zich te vestigen binnen “The Territory” voordat er sprake kon zijn van concurrentie met “The Business”. Dit was uiteraard niet wat de franchisegever had willen regelen met een non-concurrentiebeding; hij wilde uiteraard dat Kerr zijn activiteiten zonder meer zou dienen te staken.

Hoewel de Engelse rechter direct vaststelt dat het post contractuele non-concurrentie beding feitelijk nonsens is, ziet hij geen aanleiding om de franchisegever in bescherming te nemen door de duidelijke ontwerpfouten fouten in het contract te herstellen. De rechter volgt een restrictieve en zuiver taalkundige uitleg van het beding en stelt vast dat het beding geen werking heeft waarop de franchisegever zich kan beroepen.

Een dergelijke uitleg van een beding is dus aanzienlijk ander dan de door de Nederlandse rechter in casus 1 gehanteerde uitleg. In dat geval werd immers niet alleen rekening gehouden met een zuiver taalkundige uitleg van de franchiseovereenkomst, doch ook met de zin die partijen redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen partijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het is dan ook niet onwaarschijnlijk dat de Engels kwestie in Nederland wellicht een volstrekt andere uitkomst had gekend.

De lessen die hieruit zonder meer te trekken zijn, is - ten eerste – dat een beding in een contract zo duidelijk mogelijk dient te zijn om discussie te voorkomen en – ten tweede – dat het onontbeerlijk is om gespecialiseerde rechtshulp in te schakelen indien men wordt betrokken in een juridisch geschil waarbij buitenlands recht van toepassing is.

Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies