Franchise-kenniscentrum/ Nationale Franchise- en Formulebrief-publicaties

Ludwig en van Dam Advocaten publiceert om de week een juridische bijdrage aan de Nationale Franchise- en Formulebrief, die door First Formula electronisch wordt verspreid. Hieronder treft u de tot dusver verschenen bijdragen aan.


Rechter verbiedt franchisegever uitrol alternatieve franchiseformule - 23 juni 2014 - Mr. Th.R. Ludwig

mr. Th.R. Ludwig

Onlangs heeft de president van de rechtbank Arnhem in een buitengewoon belangwekkend vonnis geoordeeld in een geschil tussen een franchisegever en haar franchisenemers, tezamen 388 winkels vertegenwoordigend. Tussen partijen is naast een franchiseovereenkomst een nadere samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer is bepaald dat wanneer de franchisegever nieuwe diensten wil aanbieden zij overlegt en daarover beslist met de franchisenemers. Tevens kan de franchisegever alleen met instemming van de vereniging van franchisenemers wezenlijke wijzigingen in het beleid doorvoeren, of de franchiseovereenkomst inhoudelijk aanpassen. Ook het gebruik van de formulenaam is slechts gezamenlijk toegestaan.

Tussen partijen is veelvuldig overleg gevoerd omtrent een nieuwe franchiseformule. Ondanks dit overleg is tussen franchisegever en de vereniging van franchisenemers geen overeenstemming bereikt. Na verloop van tijd is de franchisegever echter begonnen met de uitrol van de formule. Deze uitrol vindt echter niet direct plaats vanuit de besloten vennootschap van de franchisegever, maar vanuit een andere b.v., onderdeel uitmakend van dezelfde concernstructuur. Daarop vordert de vereniging van franchisenemers in kort geding een verbod op uitrol van de alternatieve franchiseformule van diverse b.v.’s binnen hetzelfde conglomeraat. Daarbij stelt zij dat de franchisegever haar zorgplicht schendt door inbreuk te maken op de overeengekomen exclusiviteit, zoals hierboven beschreven, en daardoor onrechtmatig te handelen en voorts haar verplichting als franchisegever tot openheid en transparantie te schenden.

De president van de rechtbank wijst de vordering aan het collectief van franchisenemers na uitvoerige motivering toe, daarbij overwegende dat de door de vereniging van franchisenemers en franchisegever gesloten nadere samenwerkingsovereenkomst niet eens van doorslaggevend belang is. Het feit dat het concern op de hoogte was van de exclusiviteitsafspraken die golden ten aanzien van de mogelijkheden tot wijziging van de franchiseformule, althans dat zij dat had kunnen zijn, is reeds bepalend: “In ieder geval moet worden aangenomen dat franchisegever onder geschetste omstandigheden heeft geprofiteerd van de wanprestatie van b.v. X”. Daarmee heeft het hele conglomeraat gehandeld in strijd met de tussen partijen bestaande afspraak. De franchisegever wordt vervolgens veroordeeld tot een verbod, met een dwangsom van € 100.000,– en € 10.000,– per dag dat de uitrol nog voortduurt.

Het komt zelden voor dat een vereniging van franchisenemers daadwerkelijk haar franchisegever voor de rechter daagt. In dit geval was dat echter reëel en begrijpelijkerwijs oordeelde de rechter dan ook dat de franchisegever niet de franchisenemers kan passeren bij de uitrol van een alternatieve formule. Dit geldt derhalve evenzeer wanneer die franchisegever dat via een andere b.v. tracht te doen. Dit is zelfs des te kwalijker. Hetzelfde kan betoogd worden voor structurele wijzigingen van de franchiseformule en/of franchiseovereenkomst. Ook daarbij is zorgvuldig overleg alleen onvoldoende. Een franchisegever dient conform haar zorgplicht direct noch indirect een formulewijziging in het leven te roepen die willens en wetens de franchisenemers kan benadelen. Door dit onrechtmatig handelen, schendt zij haar zorgplicht en schaadt de evenwichtigheid die de franchiserelatie immers zo kenmerkt. Voor de franchisegever rest slechts een enorme desinvestering. Het is overigens niet het eerste praktijkvoorbeeld waarbij de franchisenemers de evenwichtigheid van de franchiseovereenkomst en de kwaliteit van de franchiserelatie hebben bewaakt, daar waar dit in de eerste plaats op de weg van de franchisegever had gelegen, en daarmee grote schade voor veel franchisenemers hebben voorkomen.

Opmerkelijk genoeg gaat de franchisegever niet uit van gelijkwaardigheid van partijen, maar gaat in deze zaak als een olifant door de spreekwoordelijke porseleinkast.

 

Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies