Prognoseproblematiek

In de praktijk wordt een van de meest in het oog springende verplichtingen van de franchisegever in verband met de pré-contractuele informatieverstrekking gevormd door het ter beschikking stellen van een deugdelijke financiële prognose met betrekking tot de te verwachten inkomsten van de franchisenemer. Blijkens vaste jurisprudentie is een franchisegever jegens de franchisenemer aansprakelijk voor onjuist geprognotiseerde gegevens betreffende omzet en bedrijfsresultaat, indien – kort gezegd – de prognose is gebaseerd op verkeerde uitgangspunten en is voorbij gegaan aan negatieve effecten die bij de prognose hadden moeten worden betrokken, terwijl de franchisenemer daar op grond van de gedragingen en mededelingen van de franchisegever geen rekening mee behoefde te houden of anderszins er op bedacht moest zijn dat de prognose niet realistisch was.

De hieruit af te leiden verregaande verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van een franchisegever heeft sindsdien geleid tot een stroom van uitspraken waarin bovenbedoelde normering is uitgewerkt. Dit inzicht heeft zich inmiddels zowel in als buiten rechte vertaald in het algemeen aanvaarde vereiste dat aan prognoses een grondig voorbereid en goed uitgevoerd vestigingsplaats- en marktonderzoek ten grondslag dient te liggen, hetgeen in combinatie nog wel eens met de term “haalbaarheidsonderzoek” wordt aangeduid. Van een dergelijk haalbaarheidsonderzoek dient tenminste deel uit te maken een onderzoek naar de locale concurrentiepositie, de demografische zowel als inkomenstechnische opbouw van het klantenpotentieel, alsmede de voorziene en voorzienbare marktontwikkeling in de totale branche. Uit het voorgaande blijkt op niet voor misverstand vatbare wijze het belang van het verrichten van een deugdelijk haalbaarheidsonderzoek. Er zijn wellicht bijzondere omstandigheden denkbaar die het achterwege laten van een dergelijk onderzoek zouden kunnen rechtvaardigen. De omstandigheid dat een betrokken franchisegever reeds jaar en dag zijn eigen haalbaarheidsonderzoeken uitvoert of meent de branche goed genoeg te kennen om zonder het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek een deugdelijke prognose op te stellen is op zichzelf echter niet een dergelijke omstandigheid, al zijn op deze regel wel (sporadisch) uitzonderingen mogelijk.

Indien een franchisenemer in of buiten rechte met succes betoogt dat hem bij het aangaan van de franchise-overeenkomst een onjuiste voorstelling van zaken is geschetst, dan kan dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, op diverse juridische grondslagen de consequentie hebben dat de franchiserelatie eindigt, met mogelijk een schadeloosstellings- of schadevergoedingsplicht aan de zijde van de franchisegever tot gevolg. Indien het haalbaarheidsonderzoek is uitgevoerd door een onafhankelijk onderzoeksbureau kan dit tot gevolg hebben dat het onderzoeksbureau medeaansprakelijk is voor de door de franchisenemer geleden schade.

De aansprakelijkheid van een franchisegever uit hoofde van de bovenomschreven problematiek kan overigens nog worden vergroot wanneer hij, nadat problemen als gevolg van één en ander zijn gesignaleerd, de franchisenemer niet adequaat begeleidt en adviseert teneinde de gerezen problemen het hoofd te bieden. Een franchisegever heeft daartoe ingevolge vaste jurisprudentie een vergaande zorgplicht. Vanzelfsprekend is deze niet onbeperkt en wordt deze in aanzienlijke mate genuanceerd in het geval er sprake is van eigen schuld van de franchisenemer of andere omstandigheden die buiten het bereik van de franchisegever liggen.

Ludwig & Van Dam franchise advocaten adviseert op zeer geregelde basis in conflictsituaties welke als gevolg van prognoseproblematiek zijn ontstaan. Desnodig worden terzake procedures gevoerd. In veel gevallen worden, mede aan de hand van de bemoeienissen van Ludwig & Van Dam franchise advocaten, de gerezen problemen naar tevredenheid van de betrokken partijen geschikt.