Franchisegevers altijd aansprakelijk

Mr Th.R. Ludwig

Naar aanleiding van de serie’ kernverplichtingen in de franchiserelatie’ is een aantal vragen gerezen. Is er met betrekking tot ondeugdelijke informatieverstrekking in de pré-contractuele fase door de franchisegever aan de franchisenemer sprake van risico-aansprakelijkheid? Winnen franchisegevers eigenlijk wel eens een zaak waarin dit onderwerp speelt? Heeft het voor de franchisegever zin geen prognoses meer te verstrekken? Deze en andere vragen worden in dit artikel behandeld.

CRITERIA

In de hierboven genoemde serie zijn de criteria aangegeven aan de hand waarvan de uitvoering die partijen aan de franchiserelatie geven in de praktijk wordt beoordeeld. Franchisegevers dienen kandidaat-franchisenemers helder, correct en volledig te informeren omtrent de mogelijkheden van de toekomstige franchiserelatie, bij voorkeur concreet tot uiting komende in een investerings- en exploitatieprognose voor een reeks van jaren, gebaseerd op een deugdelijk haalbaarheidsonderzoek. Indien er gaandeweg significante verschillen ontstaan met betrekking tot het vooraf geschetste beeld en heeft dit relatie tot vooraf verkeerd gedane inschattingen, dan heeft de franchisegever de verplichting actief advies en bijstand te verlenen aan de dientengevolge in de problemen geraakte franchisenemer.

GENUANCEERDE BEOORDELING

Daarmee is niet gezegd dat de franchisenemer in alle gevallen in het gelijk wordt gesteld wanneer een kwestie waarin deze elementen spelen wordt beoordeeld. Te allen tijde vindt belangenafweging plaats aan de hand van voornoemde criteria. In een kwestie die een voormalig franchisenemer tegen een franchisegever aanhangig had gemaakt (arbitraal vonnis 24 april 1995), was onder meer het volgende aan de orde. Aan de franchisenemer was door de franchisegever de bij de franchise-overeenkomst behorende exploitatiebegroting overlegd. De behaalde omzet bleek echter vanaf de aanvang van de exploitatie beneden de begrote mogelijkheden en verwachtingen van de franchisenemer. De franchisenemer diende bovendien zijn produkten bij de franchisegever af te nemen, waarbij het door deze gehanteerde prijsniveau niet zonder meer lager lag dan bij andere leveranciers. De franchisenemer bevond zich dus in sterke mate in een afhankelijkheidsrelatie. Door de franchisegever werd echter aangevoerd dat de voormalig franchisenemer het niet altijd even nauw had genomen met de nakoming van zijn verplichtingen jegens de franchisegever. Vanaf de start heeft de franchisegever zowel mondeling als schriftelijk adviezen verstrekt aan de voormalig franchisenemer en diverse verwijten schriftelijk bevestigd. Een en ander heeft echter geen enkele reactie aan de zijde van de voormalig franchisenemer, verklarend dan wel verontschuldigend, ontlokt. Voorts werd de franchisenemer verweten dat hij zich onttrok aan de door de franchisegever voor de franchisenemers belegde bijeenkomsten. Hij deed niets of weinig met de hem gegeven adviezen en toonde al met al geen animo om actief en betrokken als franchisenemer van de bewuste franchise-organisatie deel uit te maken. Bij vonnis werd overwogen dat het alleszins in de rede lijkt te liggen dat een dergelijke instelling een negatieve uitwerking heeft gehad op het bedrijfsresultaat van de betreffende franchisenemer. Op grond daarvan overwogen de arbiters dat het element van eigen schuld in deze kwestie dusdanig was dat naar billijkheid er onvoldoende grond bestond om de franchisegever tot betaling van enige schadevergoeding gehouden te achten. Een zelfde beeld valt af te leiden uit rechtbank Almelo, 7 mei 1997, nr. 2338, Prg. 1997/47821, waarbij de franchisenemer stelde dat hij zou hebben gedwaald bij het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst omdat hem door de franchisegever een onjuiste voorstelling van zaken zou zijn gegeven. De beweerdelijk onjuiste mededelingen zouden tevens onrechtmatig zijn. Hierbij werd gesteld dat de door de franchisegever in zijn prognoses voorgespiegelde omzet winst en kosten niet strookten met de werkelijke situatie. Voornoemde stellingen zijn echter naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ondersteund door de feiten, zoals die bleken uit de overgelegde stukken. De vermeende prognoses waren kladjes waarop mogelijkescenario’s aan de franchisenemers zijn voorgehouden. Voorts bleek de geprognotiseerde omzet goeddeels gehaald. Weliswaar bleken de kosten hoger dan voorgesteld, maar de franchisenemer werd geacht zelf de omvang van de te maken kosten te bepalen. Daar kwam nog bij dat de franchisenemer, alvorens toe te treden tot de franchise-organisatie in kwestie, reeds geruime tijd werkzaam was als verkoper bij dezelfde organisatie en dientengevolge geacht werd zelf redelijk te kunnen inschatten welke (extra) kosten zouden dienen te worden gemaakt. Een beroep op een krantenpublicatie waarbij een hoger inkomen aan potentiële franchisenemers werd voorgespiegeld dan voor hem in werkelijkheid mogelijk was, bleek in het geval van deze franchisenemer onvoldoende relevantie te hebben. Al met al haalde de franchisenemer met betrekking tot dit onderwerp bakzeil.

RISICO-AANSPRAKELIJKHEID?

In de rechtspraktijk zijn meer voorbeelden voorhanden waarbij franchisenemers vergeefs hebben getracht succesvol een beroep te doen op dwaling, onrechtmatigheid en/of tekortkoming in verband met door franchisegevers te rooskleurig voorgespiegelde prognoses. In voorkomende gevallen lopen de zaken stuk op onvoldoende bewijsmateriaal, aanmerkelijke eigen schuld van de franchisenemer of onvoldoende relevantie met betrekking tot het tegenvallende bedrijfsresultaat in relatie tot de geprognotiseerde cijfers. In geen van deze zaken zijn de in de hiervoor genoemde serie artikelen uiteengezette criteria echter aangetast. Steeds bleek dat de beweerdelijke tekortkomingen van de franchisegever niet aannemelijk konden worden gemaakt, dan wel de franchisenemers zelf bleken de oorzaak van de ontstane problemen. Alle kwesties op dit terrein worden door belangenafweging aan de hand van de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria beoordeeld. Van risico-aansprakelijkheid is dan ook geen sprake.

GEEN PROGNOSES MEER?

Voor franchisegevers heeft het geen zin te trachten aan het venijn van de hier bedoelde problematiek te ontkomen door eenvoudigweg geen prognoses meer te verstrekken. Zoals in de hier eerder aangegeven serie al eerder aangegeven mist dit thema zelfs relevantie. Immers, reeds eerder is door de rechtbank en het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch vastgesteld dat het er niet toe doet of de franchisegever dan wel de franchisenemer de prognose opstelt. Het feit dat de franchisegever de franchisenemer introduceert bij de bank en kennelijk geen aanleiding heeft gevonden de beweerdelijk onjuiste cijfers te nuanceren is voldoende voor aansprakelijkheid van die franchisegever. Het behoort tot de aard van de franchiserelatie dat, conform het in de Europese Erecode inzake franchising bepaalde, de franchisegever zowel juiste als volledige informatie verstrekt in de pré-contractuele fase. Kennelijk is de rechterlijke macht van mening dat indien de franchisegever waarneemt dat de franchisenemer zou kunnen dwalen ten gevolge van mogelijke eigen handelingen in relatie tot de met de franchisegever te sluiten franchise-overeenkomst, het tot de plicht behoort van die franchisegever als dominante partij daar een halt aan toe te roepen. Overigens dient hierbij ook bedacht te worden dat het nu juist de prognoses zijn die over het algemeen in zeer sterke mate de beslissing van de potentiële franchisenemer beïnvloeden al dan niet tot de betrokken organisatie toe te treden. De vraag rijst in dat verband of franchisegevers zonder het verstrekken van prognoses in het licht van een steeds schaarser wordender markt van franchisenemers nog wel in staat zijn nieuwe franchisenemers te vinden en of een verantwoorde financiering van het bedrijf van de franchisenemer wel mogelijk is - zo er al een bank bereid zou worden gevonden zonder deugdelijke investerings- en exploitatieprognose, die toch tenminste ondersteund dient te worden door franchisegever en franchisenemer, een financiering te verstrekken.

AANPAK

Nochtans behoeft het optuigen en uitbouwen van een franchise-organisatie geenszins problematisch te zijn. Partijen dienen hun huiswerk goed te doen. Het behoort tot de kernverplichtingen van de franchisegever dat deze, indien mogelijk, een heldere prognose verstrekt, die in ieder geval gebaseerd dient te zijn op een concreet geïndividualiseerd haalbaarheidsonderzoek. Deze verplichting blijkt uit de Europese Erecode inzake franchising en diverse jurisprudentie. Partijen doen er vervolgens verstandig aan eventuele risico’s af te dekken zoals aangegeven in de vorige edities van het blad Franchise Plus. Een goed franchisegever zal zich voorts verzekeren, mochten risico’s zich onverhoopt toch voltrekken. Wanneer zich dan toch een probleemsituatie voordoet, dient de franchisegever actief advies en bijstand te verlenen teneinde de gerezen problemen op te lossen. Het is raadzaam dat partijen zich vooraf verplichten een regeling te treffen in het kader waarvan dat doel hoe dan ook bereikt dient te worden. Indien een franchise-organisatie te werk gaat zoals hier omschreven kan er weinig fout gaan. Is dit toch het geval, dan zijn de risico’s afgedekt en zal een voor beide partijen aanvaardbare oplossing worden gezocht. Een dergelijke aanpak is voor de betere franchisegever overigens heel gebruikelijk.

Mr Th.R. Ludwig is advocaat te Rotterdam