Franchise-kenniscentrum/ Nationale Franchise- en Formulebrief-publicaties

Ludwig en van Dam Advocaten publiceert om de week een juridische bijdrage aan de Nationale Franchise- en Formulebrief, die door First Formula electronisch wordt verspreid. Hieronder treft u de tot dusver verschenen bijdragen aan.


Franchise en agentuur

Mr J. van Koetsveld - Franchise advocaat

Met enige regelmaat is binnen franchiserelaties sprake van een agentuurrelatie en bevat de franchiseovereenkomst elementen van een agentuurovereenkomst. Op zich is het geen probleem indien de franchiseovereenkomst in feite een agentuurovereenkomst is. Partijen dienen zich echter wel bewust te zijn van het feit dat het zo is en van de gevolgen daarvan.

Van agentuur is sprake indien de franchisenemer, als agent, bemiddelt bij de totstandkoming van rechtstreekse overeenkomsten tussen consument en de franchisegever, de principaal. Ten aanzien van agentuur is in het Burgerlijk Wetboek een dwingendrechtelijke regeling opgenomen. Deze regeling ziet met name op de duur van de overeenkomst, de opzegmogelijkheden, de wijze van vaststelling van de verschuldigde provisie en de vergoeding bij het einde van de overeenkomst. Dwingendrechtelijk betekent dat daarvan in een overeenkomst tussen partijen niet kan worden afgeweken. Indien wel van de wettelijke regeling wordt afgeweken, kan dit uiteindelijk tot gevolg hebben dat het bepaalde in de overeenkomst niet geldig is.

Voorts dient onderscheid te worden gemaakt tussen “eigenlijke” en “oneigenlijke” agentuur. Indien sprake is van “eigenlijke” agentuur is meer mogelijk op het gebied van het mededingingsrecht, dan indien sprake is van “oneigenlijke” agentuur of franchise. Met name bepalingen omtrent prijsstelling en afnameverplichtingen vallen bij “eigenlijke” agentuur niet onder het kartelverbod van de Mededingingswet. Van “eigenlijke” agentuur is echter uitsluitend sprake indien de franchisenemer/agent in feite geen enkel risico loopt/draagt met betrekking tot de producten waarvoor hij bemiddelt. Per geval dient te worden beoordeeld of aan de voorwaarden voor “eigenlijke” agentuur wordt voldaan.

Ten slotte bestaat met name in het geval van “eigenlijke” agentuur het risico dat de franchisenemer/agent te weinig ondernemersrisico’s draagt om als zelfstandig ondernemer te worden aangemerkt. In dat geval kan de Belastingdienst, dan wel het UWV, zich op het standpunt stellen dat in feite een dienstbetrekking bestaat tussen franchisenemer en franchisegever met alle gevolgen van dien.

Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies