Franchise-kenniscentrum/ Nationale Franchise- en Formulebrief-publicaties

Ludwig en van Dam Advocaten publiceert om de week een juridische bijdrage aan de Nationale Franchise- en Formulebrief, die door First Formula electronisch wordt verspreid. Hieronder treft u de tot dusver verschenen bijdragen aan.


Eenzijdige verhoging franchisefee - 11.02.2010

Mr E.G. Snoek - franchiseadvocaat

Onlangs heeft de rechtbank Arnhem vonnis gewezen in een geschil tussen franchisegever en franchisenemer. Het geschil handelt over de uitleg van een bepaling in de overeenkomst. In de overeenkomst is een begrip opgenomen dat voor meer dan een uitleg vatbaar is. De vraag die in de onderhavige kwestie aan de orde was: “is de franchisegever gerechtigd is bij verlening de franchisefee eenzijdig te verhogen?”

De rechtbank heeft in de onderhavige casus op grond van de tussen partijen geldende overeenkomst geoordeeld dat in beginsel de fee verhoogd mag worden indien partijen bij verlenging een verhoging overeenkomen of indien er sprake is van de geclausuleerde bevoegdheid van de franchisegever zoals vastgelegd in de franchiseovereenkomst. Nu partijen geen overeenstemming hadden bereikt over een feeverhoging, diende de rechtbank te oordelen of de franchisegever op grond van de overeenkomst de bevoegdheid had de fee te verhogen. De onderhavige overeenkomst bepaalde dat bij verlenging van de overeenkomst de alsdan geldende fee zou worden gehandhaafd, tenzij partijen bij verlenging anders overeenkomen of dat een verhoging commercieel gerechtvaardigd is.

Franchisegever voerde aan dat een verhoging commercieel gerechtvaardigd was, omdat de brutowinstmarge bij franchisenemers was gestegen. De stijging was mede het gevolg van het beleid van franchisegever. Franchisegever stelde in dit verband dat zij mede in het kader van extra marketing extra kosten heeft gemaakt. Franchisegever stelde zich op het standpunt dat het commercieel gerechtvaardigd was dat niet alleen de franchisenemers van de margestijging profiteerden en dat gelet op het voorgaande haar een feeverhoging gelijk aan de helft van voornoemde margestijging zou toekomen.

De rechtbank heeft zich twee vragen gesteld. Was er sprake van een dergelijke marge- en kostenstijging en hoe dient het begrip commercieel gerechtvaardigd te worden uitgelegd. De rechtbank oordeelde ten aanzien van de eerste vraag dat de franchisegever ondanks verzoeken hiertoe er niet in is geslaagd haar stellingen te onderbouwen. Deze stellingen werden als onvoldoende onderbouwd terzijde geschoven. Dit is geheel in lijn met het procesbeginsel: “wie stelt die bewijst”. Opmerkelijk is wel dat franchisegever aanvoerde dat voor het bepalen van de hoogte van de brutomargestijging, er gekeken diende te worden naar de margeontwikkeling van haar eigen filialen en franchisenemers. Franchisenemer stelde zich op het standpunt dat er gekeken diende te worden naar de margeontwikkeling bij het collectief franchisenemers en bij de individuele franchisenemer. Franchisegever stelde dat dit geen goede maatstaf zou zijn, omdat deze ontwikkeling mede afhankelijk is van het ondernemerschap van de franchisenemer. De rechter oordeelde dat dit standpunt in strijd is met de door franchisegever gestelde rechtvaardiging dat een deel van de margestijging ten goede aan haar diende te komen. Voorts profiteert franchisegever 100% van de bij haar eigen filialen (die geen fee betalen) gerealiseerde margestijging. De rechtbank heeft geoordeeld dat er naar de margestijging bij franchisenemers dient te worden gekeken.

Ten aanzien van de tweede vraag heeft de rechtbank geoordeeld dat de passage uit de overeenkomst “indien dit commercieel gerechtvaardigd is” dit geen objectief en eenduidig criterium is. Franchisegever heeft aangegeven dat de door haar gevraagde verhoging redelijk en billijk is. De rechter heeft overwogen dat de redelijkheid en billijkheid een zeer beperkte functie heeft in het geval partijen het niet eens zijn over de uitleg van een bepaling en de taalkundige en/of teleologische uitleg geen eenduidige uitkomst biedt. Er dient te worden gekeken naar wat partijen met het criterium hebben bedoeld bij het aangaan van de overeenkomst. Wat mochten partijen over en weer op grond van uitlatingen van elkaar verwachten. Wederom een herhaling van de standaardjurisprudentie. In de onderhavige kwestie heeft de rechtbank geoordeeld dat de franchisegever door zich slechts te beroepen op de redelijkheid en billijkheid en alleen door betwisting van de (tegen)stellingen van franchisenemer ter zake haar verwachtingen bij het aangaan van de overeenkomst, zij wederom niet heeft voldaan op de haar rustende stel- en bewijsplicht.

De rechtbank heeft in de onderhavige kwestie geoordeeld dat de franchisegever niet gerechtigd is de fee eenzijdig te verhogen.

Bovenstaande kwestie leidt tot het advies vage begrippen in een overeenkomst zoveel mogelijk te vermijden. Indien zulke begrippen niet vermeden kunnen worden, stel vragen om te bezien of partijen daadwerkelijk hetzelfde bedoelen. Leg voorts de bedoeling schriftelijk vast, bijvoorbeeld in correspondentie en/of notulen die mogelijk worden opgesteld tijdens contractonderhandelingen.

Ludwig & Van Dam franchise advocaten, franchise juridisch advies